'Mindful zijn is met open hart en heldere geest de onvermijdelijke
veranderlijkheid van ons leven tegemoet treden'
 

De Onmacht van de Macht

Tekening Len Munnik.
Eerder verschenen in 'De Eerste Sekse, Meningen over Mannelijkheid (red. Anja Meulenbelt). Uitg. Van Gennep, 1998


De Onmacht van de Macht

Dat mannen de norm waren zien we nog in de Van Dale: 'man, 1 mens [zonder onderscheid van geslacht].' Nu die norm hier in het Westen niet meer zo vanzelfsprekend is lijkt het of mannen een probleem hebben. Immers, de met de norm gepaard gaande vanzelfsprekende macht, heeft zijn langste tijd gehad. Voor vele mannen lijkt het alsof ze alleen maar iets te verliezen hebben. Het is verlies van de relatieve zekerheid van de macht, van een vanzelfsprekende identiteit. Zij verzetten zich tegen elke verandering.

Sommigen zien juist nu een goede gelegenheid om eens orde op zaken te stellen en zich af te keren van de macht. Zij voelen zich besmet met het eeuwenoude machovirus, dat van mannen een beschamende soort van mensen heeft gemaakt die weinig anders heeft gedaan dan moorden en onderdrukken. Zij neigen naar de 'zachte' pool. Anderen zoeken hun mannelijke wortels in de beelden van de mannelijke archetypen, een heroriëntatie die zin heeft naar gelang ze deze vaak krachtige beelden ook op het niveau van de rationaliteit weten te integreren.

De laatste jaren is er een herijking op gang is gekomen onder mannen rondom hun identiteit.  Enerzijds is dit op gang gezet onder druk van een paar decennia feminisme en anderzijds door de ervaring van de beperkingen die ideaalbeelden rondom mannelijkheid hen opleggen.

In dit artikel geef ik mijn visie op mannelijkheid gestalte door de functie van ideaalbeelden rond mannelijkheid te verkennen en in kaart te brengen wat de consequenties zijn van die ideaalbeelden voor mannen in hun dagelijkse leven. Langs deze weg ontmoeten we de paradox van de onmacht van de macht en doe ik suggesties voor een groter gewaarzijn van de gevolgen van de  privilegeverschillen tussen mannen en vrouwen.

 

Functie en idealen

Uitgaande van het gegeven dat de evolutie bestaat uit ontwikkelingsprocessen, en dat deze zich afspelen op zowel op biologisch, sociaal, cultureel als geestelijk niveau, moeten we aannemen dat ook de rolverdeling tussen de seksen afhankelijk is van deze ontwikkelingsfactoren. Een voorbeeld hiervan op biologisch niveau zien we in de grotere lichamelijke kracht van mannen. Dit gegeven maakte dat mannen historisch gezien vaker werk deden waarbij het op spierkracht aankwam, terwijl vrouwen sterker gebonden waren aan hun reproductieve functie van het moederschap en huishoudelijke taken. Door evolutionaire ontwikkelingen op technisch, cultureel en sociaal gebied is veel werk inmiddels niet meer afhankelijk van spierkracht, terwijl vrouwen minder zijn gebonden aan de biologische kanten van het moederschap, waardoor de rolverdeling minder dwingend is geworden. 

Daaruit volgt dat de huidige ontwikkeling van herschikking in rolverdeling niet eerder in onze geschiedenis gestalte had kunnen krijgen. De huidige differentiatie tussen mannen en vrouwen die lang gepolariseerd is geweest, feministen contra macho's, zal zich bewegen naar een nieuwe integratie van de mannen- en vrouwensfeer.

Een deel van de evolutionaire uitdaging waar we mee worstelen, voert terug op de interne differentiatie tussen sekse en 'gender'. Het eerste duidt op onze biologische geslacht, het tweede op onze geslachtsidentiteit. Het eerste is een voor iedereen duidelijk gegeven, het tweede ontstaat door interactie tussen mens en omgeving, en is veel complexer en voor ons moeilijker te vatten.

'Gender' is een gelaagd begrip en wordt verstaan als persoonlijke identiteit, als maatschappelijk ordeningsprincipe en als cultureel systeem dat symbolische en metaforische betekenissen van mannelijkheid en vrouwelijkheid vertegenwoordigd. Verwarring ontstaat al snel als we deze twee 'identiteiten' door elkaar halen en de ene als logisch gevolg van de andere veronderstellen.

Vanwege de transformatie van de biologische component, zoals hierboven al genoemd, die nog wel invloed heeft maar geen dwingende factor meer is in de rolverdeling, zullen we er ons hier toe beperken de functie van de mannelijke genderindentiteit te onderzoeken. Deze socialisatie heeft, zoals we zullen zien, een belangrijke functie en brengt tegelijkertijd een aantal inherente problemen voor de individuele man met zich mee.

De vorming van onze persoonlijkheid wordt slechts in beperkte mate beïnvloed door genetische informatie. Een belangrijkste deel van de vorming van onze gendereigenschappen komt door de boodschappen van rolmodellen in de omgeving waarin we opgroeien. De opvatting wint terrein dat mannelijkheid een symbolische rol is die op een bepaald moment en in bepaalde materiële en psychologische omstandigheden nodig is, een functie heeft.

Ken Wilber plaatst functie in de context van een evolutionair proces van opeenvolgende differentiaties en integraties (transformatie naar hoger niveau)[1]. Wilber maakt aannemelijk dat een teveel aan differentiatie, eindigend in polarisatie, kan leiden tot een pathologische regressie. Dit is een terugkeer naar een lagere vorm van ontwikkeling, het vermijden van de realiteit. De mogelijkheid tot integratie en transformatie gaat verloren [Wilber, 1995]. David Gilmore komt in zijn onderzoek naar mannelijkheid in verschillende culturen tot aansluitende conclusies [Gilmore, 1994]. Hij ziet de functie van mannelijkheid in de cultuur als stok achter de deur tegen de universele [dus ook van vrouwen] neiging tot regressie:

 

'Mannelijkheid is de sociale barrière die samenlevingen moeten opwerpen tegen entropie, vijanden, de krachten van de natuur, de tijd en alle menselijk zwakheden die de groep in gevaar kunnen brengen. Mannelijkheidsidealen dwingen mannen hun inherente inertie en vrees te overstijgen en aan het 'werk' te gaan, zowel in de zin van het leveren van energie als in de zin van efficiënt of dienstbaar zijn.

Wat de mannelijkheid betreft biedt de psychologische dimensie de noodzakelijke derde factor naast ideologie en omgeving. Psychische regressie is het belangrijkste obstakel voor de efficiëntie en productiviteit van de menselijke arbeid, de belangrijkste belemmering voor de mannelijke constructiviteit, vandaar de reactie/formatie van een omnicompetente, contrafobische mannelijkheid.

 

De functie van mannelijkheidsidealen is dat het mannen boodschappen meegeeft die nodig zijn voor de instandhouding en ontwikkeling van de gehele cultuur. Mannen hebben dus een duidelijk omlijnde taak en functie, waarbij het ideaal zo sterk mogelijk is om ze te dwingen hun [levens]angst opzij te zetten.

Gilmore stelt dat het kenmerkende van cultuur is dat het individuele doelen in overeenstemming brengt met groepsdoelen. Daar sluit het sociologische begrip 'functie' naadloos bij aan: de bijdrage van een onderdeel [individu]van een geheel, tot de instandhouding van het geheel [groep]. In die zin heeft de rolverdeling tussen mannen en vrouwen een transpersoonlijk aspect: het dienen van een doel dat uitgaat boven het directe persoonlijke belang.

Hier wordt echter ook al duidelijk waar de schoen wringt: de verlangens en idealen van de individuele man sluiten maar slechts ten dele of geheel niet aan bij wat nodig is voor de instandhouding en ontwikkeling van de gehele cultuur. Deels is deze spanning te verklaren uit de voortgaande individualisatie van de laatste decennia.

Nu we een plausibele hypothese hebben voor de functie van mannelijkheidsidealen rijst de vraag welke idealen momenteel 'in' zijn. Of anders gezegd, wat zeggen de populaire ideaalbeelden ons over de huidige functie van mannelijkheid. Paradoxaal genoeg lijkt het juist de tegenwoordige verwarring en onduidelijkheid over de functie van mannelijkheid te zijn die het mannenideaal in beweging heeft gebracht. Feministen hebben duidelijk en terecht vraagtekens gezet bij de vanzelfsprekendheid van de mannelijkheid als dominante factor in de samenleving.

Evolutionair gezien ook mooi op tijd, immers door de inrichting van onze werkelijkheid liggen traditionele mannelijke kwaliteiten, zoals fysieke kracht, niet meer zo goed in de markt. Hoewel het in de 'niche' van de seksualiteit lijkt dat menige vrouw toch wel liever iets gespierds in haar armen wil houden [maar ook dat is beeldvorming]. Een probleem bij onze zoektocht is dat het huidige ideaalbeeld niet meer is wat het vroeger geweest schijnt te zijn. Daarmee doel ik op het gegeven dat niet alleen de inhoud van het mannelijkheidsideaal veranderd is, maar tegelijkertijd ook de diversiteit ervan.

Net zoals marketingafdelingen en reclamebureaus met de handen in het haar zitten over de explosieve diversiteit van doelgroepen, zo zitten - de niet kalende mannen - met hun handen in het haar. Het lijkt er op dat er geen enkelvoudig mannelijksheidsideaal meer is waar we ons allemaal op kunnen richten. Het mannelijkheidsideaal voor de hoog opgeleide tweeverdiener is onmiskenbaar anders dan dat van een laagopgeleide werkzoekende, van de alleenstaande vader anders dan dat van de illegale buitenlander, van een veertiger anders dan van een jonge man.

Gezien deze diversiteit lijkt het erop dat we in een overgangsfase zitten. De diversiteit brengt meer vrijheid, er is nu keus, maar ook verwarring. Een tendens die we eerder bij vrouwen zagen in hun rolverschuiving - het steeds bredere en hogere eisen stellen aan de rolinvulling - zien we nu ook bij mannen terug. Een man dient niet alleen een wezenlijk deel van de oude materiële verzorger te belichamen [liefst in een gezond, getraind en gespierd lijf], maar ook zijn repertoire herkenbaar uit te breiden met zorgzaamheid en sensitiviteit, en uiteraard 'echt' vaderschap.

Naast een kleine groep trendsetters, zoals wellicht de auteurs van dit boek?, is er een grote groep volgers, die door deze relatief snelle ontwikkeling in een impasse rond hun gender-identiteit is terechtgekomen.

In de Gestalttherapie noemen we de fase waarin het oude niet meer past maar toch nog veiligheid biedt en het nieuwe [juist door zijn onbekendheid] angst oproept, een impasse. De impasse in een persoonlijk ontwikkelingsproces wordt in eerste instantie bijna zonder uitzondering door iedereen, ook door mij, als vervelend, angstig en bedreigend ervaren. Dus willen we er zo snel mogelijk van af, doorgaans door terug te keren, vast te houden aan het oude.  De taaiheid van deze vasthoudendheid laat zich mede verklaren door de grote angst die kan optreden wanneer het gaat om veranderingen aan/in onze identiteit. Het mogelijk verlies van grond onder onze voeten raakt immers aan wellicht de laatste taboes: gek worden, jezelf verliezen en doodgaan.

Veel mannen menen nu  - en wie weet, terecht - dat ze veel meer te verliezen hebben dan te winnen bij een verandering van zowel het uiterlijke als innerlijke status-quo. De benodigde openheid en flexibiliteit ten opzichte van verandering van ideaalbeelden en hun consequenties zijn overigens niet geheel onafhankelijk van sociale omgeving. Sociale omgeving en cultuur zijn echter niet zo eenduidig als we zouden verwachten. Terwijl het voor de hand ligt dat de hoger opgeleide mannelijke tweeverdiener mannenemancipatie een warm hart toedraagt, en dat ook in de praktijk omzet, blijkt dat lager opgeleide mannen relatief meer tijd met hun kinderen (kunnen) doorbrengen omdat parttime werk meer binnen hun bereik ligt.

Het lijkt er op dat de intellectuele voorlopers zichzelf hier door de patriarchale werkstructuur van het hogere management in de vingers snijden. Daarnaast zien we dat hoger opgeleide mannen met hoge functies zich qua status-quo meer kunnen permitteren om zonder mannelijkheidverlies een aantal 'vrouwelijke' aspecten over te nemen, dan lager opgeleiden. Angst voor het nieuwe en verlies van het oude kan tot mannelijk fundamentalisme leiden. Fundamentalisme is hier, net zoals in politiek en religie, de neiging tot sterke polarisatie.

Het standpunt wordt extreem; alle veranderingen, alle vrouwen, et cetera … deugen niet. Het leidt tot een tegen verandering en ontwikkeling gerichte beweging, tot (zoals Ken Wilber het noemde) een pathologische regressie. Deze wordt gekenmerkt door een ontkenning van de realiteit en een terugkeer naar een vroegere fase van ontwikkeling. Ook dat is een 'ideaal' waar we rekening mee moeten houden.

De conclusie is dat er momenteel een diversiteit aan mannelijkheidsidealen is die samenhangt met de sociale omgeving waarin een man zich bevindt. De hoog opgeleide tweeverdiener met kinderen zal eerder ook als deeltijdhuisman willen leven, terwijl een laag opgeleide man alles zal doen om op ander manieren status en invloed te verkrijgen. De grote diversiteit van idealen en mannelijke subculturen duidt op een sterke differentiatie tussen mannen onderling. De vraag is of dit nog zal leiden tot een meer eenduidig ideaalbeeld of dat deze diversiteit al de voorbode is van een nieuwe multifunctionele mannelijkheid.

Aangezien er een soortgelijk proces al langer onder vrouwen gaande is, mogen we constateren dat de rolverdeling tussen mannen en vrouwen zeker verder zal veranderen. Niet alleen de uiterlijke rollen zullen veranderen, ook de interne psyche zal zich differentiëren.

 

Macht en onmacht

Hoewel we na de 'macho' nog een scala aan nieuwe modellen op de markt hebben gezien, waarvan velen na hun introductie weer roemloos zijn verdwenen, denk ik dat we voorlopig nog niet klaar zijn met de erfenis van de oude mannelijkheid. De evolutionaire molens draaien langzaam, al onze emancipatiestrijd en ongeduld ten spijt.

De oude 'machtige' mannelijkheid snijdt aan twee kanten. Enerzijds verschaft zij de man tastbare beloningen [economische macht] en privileges, terwijl de man zich anderzijds moet conformeren aan het van hem gewenste gedrag om zijn macht ook te kunnen uitoefenen. Het vraagt van hem een constante beheersing van impulsen die zijn innerlijke en uiterlijk manbeeld kunnen ondergraven. Hij mag, zoals we eerder zagen, niet 'uit zijn rol' vallen.

De problemen die zich structureel aandienen door deze beheersing of onderdrukking zijn de onmacht zich te [ver]binden, zich vrijelijk te uiten en gevoelens en emoties gestalte te geven. Praktisch zien we dit terug in de moeilijkheid die veel mannen hebben om intieme relaties aan te gaan en te onderhouden met andere mannen, vrouwen en kinderen waarin openheid en zelfonthulling een belangrijke rol spelen.

Iedere man leeft met een discrepantie tussen wie hij denkt dat hij is (zelfbeeld) en wie hij denkt dat hij moet zijn (ideaalbeeld). De hoge eisen die de man aan zichzelf stelt, betekent dat hij onder een constante druk leeft om te moeten voldoen en te streven naar macht [kennis, geld, bezit, schoonheid]. Het feit dat hij doorgaans niet aan deze eisen zal voldoen veroorzaakt bij veel mannen niet alleen ontevredenheid maar ook onzekerheid en kwetsbaarheid, die zich vaak uit in faalangst.

De paradox is dat het moeten nastreven van het ideaal en de inherente faalangst, veel mannen juist stimuleert om hun gevoelens van kwetsbaarheid te onderdrukken, met als gevolg isolement en depressie. We kunnen hier een onderscheid maken tussen passieve, intern gerichte depressie, en agressieve externe gerichte depressie. Mannen neigen door hun externe gerichtheid meer naar de laatste. Vanuit het machtig moeten zijn kan de ervaren onmacht leiden tot frustraties die kunnen ontaarden in agressie en gewelddadigheid.

Hoezeer mannen ook als seksegroep nog steeds meer publieke, economische en sociale macht hebben dan vrouwen, het is een macht die maar heel weinig mannen individueel ook als zodanig ervaren. Hierin ligt volgens mij de kern van een groot probleem, dat van geweld en machtsmisbruik door mannen.

Zoals uit vele onderzoeken blijkt over geweldsmisdrijven (overvallen, verkrachting, stalking e.d.) gepleegd door mannen, is bijna altijd de motivatie een 'ervaring van macht' teweeg te brengen. Deze daders ervoeren een voor hen blijkbaar ondraaglijk gebrek aan macht en status in hun bestaan. Het lijkt er dus sterk op dat mannen ertoe neigen om de ervaren machteloosheid en gebrek aan status met geweld op te heffen. Zo bezien bestaat er dus geen zinloos geweld!

De wijze waarop de individuele man reageert, is in grote mate afhankelijk van de representaties over agressie en geweld in de sociale klasse van de man. Een man uit de lagere klassen zal sneller tot fysiek geweld overgaan terwijl een man uit de hogere klassen op een subtieler, maar daardoor niet minder laakbaar, instrumentarium beroep kan doen. Gewelddadigheid komt in deze context voort uit onmacht en frustratie met de discrepantie tussen de eigen situatie en mogelijkheden en de ideaalbeelden die we als cultuur aan onze mannen meegeven. Geen excuus, wel een feit.

Zijn mannen alleen maar agressief? Nee, natuurlijk niet, alleen is de beeldvorming vaak wel zo. Zodra we de arena van de macht betreden lopen we het risico op een feministische linkse directe - met het patriarchaat als bokshandschoen. In haar algemeenheid heeft het feminisme voldoende aangetoond dat de 'eerste sekse' de norm was, met als bijkomend voordeel (?) dat deze zèlf tot voor kort geen onderwerp van onderzoek en kritiek waren.

Deze blinde vlek van mannen over hun mannelijkheid leidde ook tot het feit dat er geen vocabulaire was voor mannen om hun gewaarzijn omtrent hun genderidentiteit te ontwikkelen. Het gebrek aan zelfgewaarzijn liet een open deur voor anderen c.q. vrouwen om mannen te vertellen wie ze wel niet waren. Het overlaten danwel weggeven van hun eigen emotionele-  en mannelijkheidsvalidatiemacht aan vrouwen heeft mannen afhankelijk gemaakt. Ook deze ervaring van afhankelijkheid kan de vicieuze cirkel onmacht - gewelddadigheid - macht in stand houden.

Het groeiende gewaarzijn van hun eigen mannelijkheid zou mannen meer attent kunnen maken op de kwaliteiten die zij wel degelijk positief bijdragen aan de cultuur. David Gilmore [1994] beschrijft het  zo:

'Een van mijn bevindingen is dat mannelijkheidsideologieën altijd een criterium bevatten van onzelfzuchtige generositeit, die zelfs zover gaat als opoffering. Het mannelijkheidsconcept heeft dus ook een verzorgende factor, als we die term definiëren als geven, bijdragen, op de ander gericht zijn. Het is waar dat dit mannelijke geven anders is, en minder demonstratief en duidelijk dan het vrouwelijke.

Het is minder direct, minder onmiddellijk en meer gericht op het externe: de 'ander' kan de samenleving in het algemeen zijn in plaats van specifieke personen.mnHet paradoxale is dat de noodzakelijk persoonlijke kwaliteiten voor deze mannelijke bijdrage precies het tegenovergestelde zijn van wat wij westerlingen beschouwen als zorgend persoonlijkheid.

Om zijn familie te onderhouden moet de man ver weg gaan, moet hij jagen of oorlog voeren; om teder te zijn moet hij hard genoeg zijn om vijanden te verslaan. Om genereus te zijn, moet hij zelfzuchtig genoeg zijn om goederen te verzamelen, dikwijls door andere mannen te verslaan. Om zachtaardig te zijn, moet hij eerst sterk zijn en zelfs meedogenloos in confrontatie met vijanden. Om lief te kunnen hebben moet hij agressief genoeg zijn om een vrouw het hof te durven maken, te verleiden en te 'winnen'. [cursivering van mij].

Hoewel dit voor de westerse man een typering lijkt uit een ver verleden benoemt het in mijn ervaring vrij accuraat het dilemma van de dubbele boodschappen waarmee we tegenwoordig nog worstelen. Staan voor je mannelijkheid, je functie op een waardige manier vervullen, is een complexe uitdaging geworden. Het gaat er immers om de bovengenoemde polen, bijvoorbeeld agressiviteit en tederheid, met elkaar te verbinden en te integreren. Anders gezegd, agressie zonder liefde is meedogenloos, liefde zonder agressie is passieloos.

Helaas zien wij agressie in onze tijd nog slechts als iets negatiefs. Dus de meerwaarde ontstaat voor de man èn zijn omgeving als hij in staat is de twee tegenpolen in zich te verenigen, en niet een van de twee te onderdrukken. Pas bij balans tussen de twee energieën kan de man onzelfzuchtige, transpersoonlijke mannelijkheid belichamen.

 

Misbruik en privileges

De vele mannen waar ik mee gewerkt heb in mijn praktijk en mannengroepen, begrijpen dat mannen meer macht hebben dan vrouwen. Ze onderkennen dat het zo is maar ze weten er, net zoals ik, maar moeizaam handen en voeten aan te geven. Met andere woorden, ik heb dus macht die ikzelf vaak niet ervaar als zodanig, dus ook niet creatief weet te gebruiken maar waar ik wel voor op het feministische matje geroepen wordt.

Het belang van macht is evident zodra we ons realiseren dat macht ook misbruikt kan worden, en helaas wordt. Macht is een uiterst weerbarstige materie. Het is een inter-relationele dynamiek, het zegt iets over hoe mensen met elkaar omgaan. Het gaat immers over grenzen tussen individuen en groepen waarbij de 'machtsvraag' er altijd is. Zodra we met twee mensen te maken hebben verhouden zij zich tot elkaar.

Hoe zij zich verhouden, wie zeg maar de 'topdog' en wie de 'underdog' positie inneemt en of die posities wel of niet wisselen, is afhankelijk van vele factoren. Voorop staat dat deze 'machts-gestalt' zich onherroepelijk formeert of we het nu leuk vinden of niet. Hiervoor heb ik geargumenteerd dat machteloosheid paradoxaal genoeg een belangrijke oorzaak is van het geweld van mannen. Dat betekent echter niet dat geweld en misbruik een exclusief mannelijke aangelegenheid is, het is echter wel zo dat juist doordat mannen meer privileges hebben dat ze een groter risico lopen van misbruik.

Ik wil hier wel met nadruk opmerken dat er uiteraard niet alleen privilege verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen. Net zoals er geen eenduidig ideaalbeeld meer is voor mannen en vrouwen, zo zijn er meerdere privilege verschillen binnen de twee seksegroepen. Het is duidelijk dat een hoogopgeleide Nederlandse vrouw andere privileges heeft dan een eerste generatie allochtone vrouw die de taal slecht beheerst, maar ook andere dan een laagopgeleide mannelijke Nederlander.

Maar ook hebben homoseksuele en allochtone mannen andere privileges dan vele autochtone mannen.Ik vermijd hier bewust de termen 'meer of minder' aangezien het niet zozeer de hoeveelheid privileges betreft die iemand heeft maar vooral de kwaliteit ervan. Ofwel, welke macht deze hem of haar opleveren in de interactie met anderen.

Privileges zijn hier die individuele- én groepsvoordelen die voortkomen uit verschillen in ras, sekse, religie, welvaart, opleiding, sociale klasse en vaardighe­den, uiterlijk, talenten et cetera. Goed beschouwd zijn de meeste hiervan 'geërfd' en niet zozeer onze eigen verworvenheden. Niettemin vinden we onze privileges zo normaal dat we niet stilstaan bij de verschillen, en het effect daarvan, in onze relaties met anderen. Eerder neigen we onze aandacht te richten op privileges die we niet hebben, en op degenen die we menen dat anderen wel hebben.

Gezamenlijk vormen onze privileges onze 'rang'. Rang betekent de mate waarin we, bewust én onbewust, macht hebben in relaties met anderen [Mindell, 1995].


Intermezzo

Ons niet-gewaarzijn van onze privileges zijn aanleiding voor misverstanden, ruzies en conflicten, zowel individueel als collectief. Juist daarom is het van belang actief je gewaarzijn daarop te richten. Vandaar mijn voorstel om nu zelf een experiment te doen dat je in staat stelt ze te ontdekken en de dynamiek van privilegeverschillen te ervaren [stap 2].

1.   Schrijf op 'Welke privileges heb ik door mijn sekse, leeftijd, ras, nationaliteit, religie, seksuele geaardheid (homo, bi, lesbisch, hetero), opleiding,  beroep, inkomen, uiterlijk en fysieke conditie.'

2.   De gevolgen van de verschillen wordt tastbaarder als je dezelfde oefening verbaal doet met verschillende mensen, met een man, en vrouw, iemand van een ander ras, nationaliteit, religie, seksuele geaardheid, etc. Het belangrijkste is gewaarzijn van je eigen reacties en die van de ander en die dynamiek bespreekbaar te maken.

 

Integratie en transformatie

Het differentiatie- en integratieproces waar we mee bezig zijn ligt mijn inziens op het vlak van het privilegeverschil tussen mannen en vrouwen in onze huidige samenleving.Dit onderscheid kan ons helpen deze verschillen te integreren en te transformeren naar een hoger niveau. Deze integratie bestaat uit een onderkennen van de evidente verschillen en een inspanning van beide seksen om deze verschillen op hun merites te onderzoeken. Het is niet zo dat als iedereen nu maar dezelfde privileges heeft [is praktisch onmogelijk] het probleem van machtsongelijkheid ineens opgelost is.

Verschil in privileges heeft ook een culturele functie. Welke dat is lijkt nu meer af te hangen van onze eigen rationele onderhandelingsproces dan van een biologisch gegeven. We hebben de invloed van de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen al in belangrijke mate getransformeerd. De uitdaging waar we met z'n allen voor staan is in dialoog te treden en rationeel te kijken welke verschillen functioneel zijn voor onze gezamenlijke ontwikkeling. Dit is een lastige materie omdat privilegeverschillen gepaard gaan met sterke emoties zoals angst voor verlies en gevoelens van onrechtvaardigheid en woede.

De eerste stap is te onderkennen dat er privilegeverschillen zijn, en de invloed te achterhalen die deze hebben op onze interactie met elkaar. Integratie kan plaatsvinden als we nu bewust de polarisatie verlaten en van de mannelijke en vrouwelijke sferen weer een geheel weten te maken, die, weliswaar verschillend, complementair zijn en elkaar aanvullen. Een integratie die past in deze tijd en omstandigheden, in de wetenschap dat dit proces nooit klaar zal zijn maar elk moment onze aandacht en energie vraagt. Samenleven betekent samen veranderen.

Verantwoordelijkheid nemen betekent dan onze bereidheid te antwoorden op de vragen die ons samenleven aan ons stelt, in dit geval de passende verhoudingen tussen mannen en vrouwen. In die context kunnen ideaalbeelden ons de richting wijzen die we samen scheppen terwijl die richting constant getoetst dient te worden aan de ervaring van alle betrokkenen. Dat we daarbij 'vergissingen' zullen begaan is duidelijk, dat is inherent aan leven en verandering.

Het laat onverlet dat we samen, mannen en vrouwen, aardig ver zijn gekomen in de geschiedenis. Wat mij betreft gaan we er samen verder tegenaan.

 

Over de auteur

Ramo de Boer (1957) werkt als Gestalttherapeut, trainer en docent. In zijn praktijk MindConsult te Utrecht begeleidt hij individuen, teams en groepen, en geeft leertherapie, supervisie en coaching. De afgelopen tien jaar heeft hij zich mede actief beziggehouden met mannenontwikkeling in binnen- en buitenland, middels trainingen en publicaties. Zijn interesse en studie gaan uit naar zingeving als doelgerichte activiteit van individu en organisatie (maatschappij).

 

Literatuur

De Boer, Ramo  -  Werken met een mannengroep. Leren en Leven met Groepen, Samsom 1991.

De Boer, Ramo  -   Gebruik van macht: Over het hanteren van verschillen, macht en geweld in menselijke relaties. Artikel in De Wildeman nr.12 1996.              

Gilmore, David  -   Manhood in the Making: Cultural Concepts of Masculinity. Yale University, 1990 . Vertaling 'De Man als Mythe', Rainbow pockets 1994

Mindell, Arnold -  Sitting in The Fire: Large Group Transformations using Conflict and  Diversity. Lao Tse Press,  Portland, Oregon, 1995.

Wilber, Ken          - Sex, Ecology, Spirituality; The Spirit of Evolution. Shanbhala, 1995.

 

[1] Wilber beschrijft evolutie hier op vier gebieden: extern, sociaal en cultureel, en intern,  biologisch en geestelijk.

Categorie: