Fenomenologie
De fenomenologie [1] brengt soms verrassende overeenkomsten met de Boeddhistische filosofie enerzijds en de Gestaltfilosofie anderzijds. Deze overeenkomsten hebben betrekking op de benadering van de dualiteit van figuur en grond, van object en subject. De benaderingen lijken elkaar te raken in zoektocht naar het verwoorden en de realisatie van de essentie van Zijn.
De basisgedachte van de fenomenologische filosofische benadering is ‘dat we fenomenen moeten beschrijven zoals ze in onze concrete ervaring voor het bewustzijn gegeven zijn, zo veel mogelijk vrij van conceptuele veronderstellingen.’ (8) [2]

Fenomenologie komt van het Griekse phainomai, en betekent verschijnen. Edmund Husserl (1859-1938), de grondlegger van de filosofische fenomenologie, zoekt het ‘fundament voor een gefundeerde filosofie in de fenomenen, in de werkelijkheid zoals deze verschijnt, zich voordoet aan het bewustzijn.’ (23) Dat het Husserl ernst is blijkt wel uit het feit dat ‘filosofie voor hem geen ideologie, geen geloof en geen wereldbeschouwing is maar een wetenschap die wil komen tot algemeen geldende uitspraken over de werkelijkheid, die gelden voor alle mensen, overal en te allen tijde.’(19)


Dit streven vinden we ook terug in het Boeddhisme en de Gestaltbenadering. Terwijl deze respectievelijk bekend staan als religie en psychotherapie, vertrekken beiden vanuit dezelfde vraag – wat is de werkelijkheid, wat is werkelijk, wat is zijn en hoe stellen we dat vast? Wat de drie verenigt is hun gebruik van de methode van gewaarzijn – zij stellen waarneming centraal in hun onderzoek naar de werkelijkheid.

Bewustzijn is Intentioneel
Een belangrijk uitgangspunt van Husserl is dat bewustzijn altijd intentioneel is, in de zin dat het zich altijd van iets bewust is, altijd inhoud heeft. Dit punt wordt door Martin Heidegger verder genomen in zijn observatie dat we ‘doorgaans gericht zijn op de zijnden en (daardoor) blijft het zijn van de zijnden onzichtbaar’(38).
Hij vraagt zich af wat betekent ‘zijn’ eigenlijk? In zijn benadering combineert hij de les van Husserl – bewustzijn is altijd bewustzijn van iets – met onderzoek naar het zijnde dat besef heeft van zijn. Het is een poging om vanuit wat we ons gewaar zijn [3] (object) terug te keren naar gewaar-zijn zelf (subject).

Dit heeft een sterke overeenkomst met een doel van spirituele stromingen – zoals het Tibetaans- en Zen-Boeddhisme, Advaita Vedanta – die ondermeer streven naar de overstijging van het dualisme van object–subject, hoewel met verschillende methoden en doelstellingen.  Heidegger ziet de toegang tot het Zijn in het zijnde dat besef heeft van het zijn, namelijk de mens.

Hiervoor introduceert hij de term Dasein - de mens in zoverre als hij het zijn verstaat. Het gaat hier dus om het zijn zélf waarvan de mens een onlosmakelijk deel uitmaakt, zozeer zelfs dat de vertrouwdheid met dit zijnsverstaan maakt dat hij zich er nauwelijks bewust van is. Dit punt zien we ook terug in het Boeddhisme waar vaak gerefereerd wordt aan de natuur van de geest die zo voor de hand ligt dat we haar niet herkennen!

Deze observatie vinden we terug in de Tibetaans-Boeddhistische term Rigpa - het pure, intrinsieke, oorspronkelijke Gewaarzijn. Het altijd al aanwezige gewaarzijn waarin de fenomenale wereld zich manifesteert, maar dat niet ís.

Betekenisvolle Gehelen
Onze relatie met de relatieve wereld [4] wordt volgens Heidegger gekarakteriseerd doordat we waarnemen wat we (kunnen) verstaan. Hier geeft hij de fenomenologie een belangrijke wending; ‘de fenomenologie is volgens hem helemaal niet gericht op de waarneming, maar op het zichtbaar maken van betekenissen.’(40)

Deze connotatie vinden we terug in de betekenis van het woord Gestalt, namelijk een totaal beeld, een betekenisvolle figuur. Voor Heidegger is het uiteindelijke of oorspronkelijke fenomeen het Zijn zélf: het zijn vertoont zich niet direct, maar is het hoogste zijn van waaruit alle (waargenomen) zijnden voortkomen.

De Paradox van Bewustzijn
Jean-Paul Sartre sluit hierbij aan met zijn conclusie dat het Ik een object is en geen subject – waar het object begint, houd het subject op. Sarte komt tot deze conclusie mede door het aantonen van een inconsequentie in het denken van Husserl, waarin deze eerst toont dat er geen vast subject nodig is om het bewustzijn te begrijpen – het Ik (ego) is zelf niet gegeven – en het vervolgens zelf niet consequent toepast door het opvoeren van een ‘transcendentale subjectiviteit.’


Sartre meent dat aangezien het bewustzijn altijd bewustzijn-van iets is, het bewustzijn per definitie aan zichzelf ontsnapt. Ofwel bewustzijn zou zich niet bewust kunnen zijn van zichzelf. Deze paradox is in mijn inziens de centrale uitdaging in de filosofische fenomenologie en de non-dualistische spiritualiteit. Een paradox overigens waar Sarte zich niet uit heeft weten te redden – zijn verder ontwikkelde fenomenologie van het Niets, van de negatie – is een horizontale fenomenologie zonder enig overstijgende mogelijkheid, een ‘fenomenologie die zichzelf uitwist’ (70). Sarte verlaat dan ook de fenomenologie.

De theoretische en vooral praktische moeilijkheid zit ‘m in het bewustzijn zélf dat waarneming is en dus zichzelf niet kan waarnemen. Bewustzijn is zonder object-subject, zonder fenomeen en waarnemer. Bewustzijn is.
Vraag voor ons blijft wat bewustzijn is. Als we dat weten, dan weten we wie we zijn. Experientieel kennen doen we het wel, het is immers wat wij ten diepste ten allen tijde zijn. Het geheel doet me denken aan het refrein in een song van Hall & Oates: - So close, and so far away.

Hoewel dat laatste (so far away) wat betreft de natuur van de geest hier de illusie is, klopt het in de liefde soms wel ... zucht.