Expert in Trainen van Aandacht

Perceptie - Ik zie, ik zie wat jij niet ziet !?

 


Vroeger

Vroeger deden we als kinderen vaak het spelletje ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet!’ Je moest dan raden wat de ander zag middels vage hints over wat die ander wel zag en jij (nog) niet. Je won als je de hints zo vaag of misleidend wist te houden dat de ander het niet raadde en het opgaf.

Het spelletje ging exclusief over de zogenoemde objectieve eigenschappen van het geobserveerde en hield zich helemaal niet bezig met de  psychologie van onze waarneming. Het is wel iets wat we in onze volwassenwording al snel (moeten) leren. Wat ik zie is namelijk niet altijd, of heel vaak niet, wat jij ‘ziet.’ We kunnen het wel eens zijn over de visuele uiterlijkheden van het object – ik zie wat jij ook ziet - maar zullen verschillen in de betekenisgeving of interpretatie van wat we zien. 

Waarneming is, hoe simpel het op het eerste gezicht ook lijkt, een vrij gecompliceerd proces waarbij zowel onze zintuigen als geest onlosmakelijk betrokken zijn. Een oude en interessante wijsheid over onze vooringenomen waarneming is deze van Moellah Nasrudin (1208-1284), de beroemde wijze uit de Soefi traditie.


De Sleutel in het Donker  (1)

“Moellah Nasrudin kroop op handen en voeten over de grond, pal onder de lantaarn. Geen houding voor een man van het geloof, en dat om twee uur ’s nachts. Drinken mag niet, maar als je het al doet, dan toch zeker niet zo openlijk. Dat roept vragen op. ‘Moellah, wat doe je daar?’

De moellah zocht de sleutel van zijn huisdeur. Nu vond men de moellah een rare, maar hij was wel populair, dus al gauw kroop hij met het halve dorp over de grond, op zoek naar zijn huissleutel. Twee uur werd drie uur, drie uur werd half vier. Haast en spoed woonden nog niet in het dorp van Nasrudin, dus iedereen zocht vlijtig door. Maar niets is onuitputtelijk en ook aan het geduld van de dorpelingen kwam ten slotte een einde. 

Nadat ze voor de zoveelste keer de hele omgeving rond de lantaarn hadden uitgekamd en elk steentje twintigmaal hadden omgekeerd waren ze het zat. ‘Weet je zeker dat je hem hier verloren bent?’ ‘Nee’, stelde Nasrudin, ‘ik verloor hem dichter bij huis, maar daar is het zo donker. Hier in het licht zoekt het makkelijker …’


Waarneming en perceptie

Waarneming en perceptie, zijn een essentieel deel van ons leven. Eigenlijk ís het ons leven, ons bewustzijn ís waarneming (wat het verder is weten we ondanks alle technisch-wetenschappelijke vooruitgang nog steeds niet zo goed). Deze twee begrippen worden soms als hetzelfde gezien en soms als verschillend uitgelegd. Voor deze reflecties hanteer ik de volgend definitie: 
‘Waarneming, ook wel perceptie genoemd, is het proces van het verwerven, registreren, interpreteren, selecteren en ordenen van zintuiglijke informatie.’ (Wikipedia)


Een perspectief

Interessant is dat waarneming zowel een technische kant heeft:
•    hoe vindt het proces plaats waarbij een externe stimulus een intern beeld oplevert, 

en een filosofische kant:
•    hoe hangt ons wereldbeeld met onze waarneming samen – ofwel hoe wordt kennis geproduceerd?

Om beiden, en de Gestaltpsychologie die sterk gebaseerd is op wetmatigheden van waarneming, in perspectief te brengen kijken we eerst terug in de geschiedenis – waarbij ik voor de zorgvuldigheid dien aan te tekenen dat mijn visie en keus van perceptie hier uiteraard een van de mogelijke zienswijzen is!


Wetenschapsfilosofie

Een manier van kijken naar de geschiedenis die van belang is voor ons onderwerp, is een wetenschapsfilosofische, en dan met name de overgang van het christelijk-aristotelische wereldbeeld naar het natuurwetenschappelijke wereldbeeld.

Het christelijk-aristotelische wereldbeeld stond dicht bij de dagelijkse waarneming en ervaring van de werkelijkheid – onze ‘common sense’ of gezond verstand. In dit middeleeuwse perspectief heeft het universum een aantal kenmerken:

  1. Het hemelgewelf draait rond de aarde;
  2. De zon komt op en gaat onder;
  3. Slechts in het bovenmaanse [heelal] vindt men eeuwige regelmaat, hier in het onder-maanse heerst verval, bederf en chaos;
  4. Het heelal is een ronde, eindige koepel;
  5. Alles wat beweegt, houdt daar uiteindelijk ook weer mee op, tenzij er een kracht aan toegevoegd wordt. De enige uitzonderingen zijn de eeuwige, cirkelvormige bewegingen van  de hemelkoepel en de planeten;
  6. Kleuren, geuren, geluiden, en tactiele zintuigervaringen hebben een reëel, fysisch bestaan;
  7. De hele kosmos, het planetenstelsel, de aarde, het planten- en dierenrijk hebben hun plaats, functie en waarde. Ze staan in dienst van de mens. Niet alleen de aarde staat in het middelpunt van de kosmos [geocentrisme], maar ook de mens [antropocentrisme]

Deze middeleeuwse visie op beweging en rust wordt verlaten door een nieuwe benadering door Galilei en Newton, die beiden de splitsing tussen beide sferen opheffen aan de hand van wiskundige constructies: zij willen beide sferen op dezelfde manier begrijpen – zo boven, zo beneden.


Objectief en subjectief

Kenmerkend voor deze voormannen van de wetenschappelijke revolutie is dat zij hun ogen niet geloofden! Galilei komt onder andere door de mathematische traditie van Pythagoras tot een mechanistische filosofie, waarin de werkelijke wereld gelijkgesteld wordt met de fysische wereld. Hij komt hier tot een tweedeling, namelijk subjectieve en objectieve eigenschappen van de werkelijkheid.

  • Subjectief   : deze bestaan uit ervaringen, zintuiglijke waarnemingen die gebonden zijn aan het waarnemende subject - kleur, geur, smaak, geluid en tactiele eigenschappen (in de middeleeuwen nog als fysische realiteiten beschouwd)
  • Objectief    : eigenschappen die aan fysische objecten worden toegeschreven [grootte, vorm, beweging en rust] 

Descartes (die van "ïk denk, dus ik ben") bouwt dit verder uit mede door onderzoek naar de afbakening tussen objectieve en subjectieve fenomenen: hij stelt dat zintuiglijke gewaarwordingen – zoals geur, kleur en geluid — overeenkomen met de constellatie in de fysische wereld,  dus zijn het objectieve eigenschappen (net als bij Galilei), terwijl de waarneming ervan ook bij Descartes bij de subjectieve eigenschappen terugkomt.

Bij de subjectieve eigenschappen plaatst Descartes ook bewustzijnstoestanden en –activiteiten als herinneren, denken, willen en verbeelden. Hij noemt de 2 categorieën eigenschappen van de werkelijkheid fysisch en psychisch.

Descartes meent dat de aard van de relatie tussen lichaam en ziel niet vatbaar is voor de filosofie en komt tot zijn dualistische filosofie: de mens is een samenstel van twee volledig onafhankelijke substanties: lichaam en ziel. Hierdoor is een oorzakelijk verband tussen beiden onmogelijk geworden. Hij moest dus wel concluderen “ik denk, dus ik ben” anders zou er niemand zijn!


Problemen

Er ontstaan hier filosofische en wetenschappelijke problemen door een natuurwetenschappelijk wereldbeeld, zonder plaats voor de menselijke geest: er is exclusieve aandacht voor objectieve fenomenen en men negeert subjectieve fenomenen. 

Probleem is hier dat:
    - de wetenschap zelf gebaseerd is op het contact tussen subject en object (wereld):
    - mens is lichaam én geest, waarnemingen, ervaringen én een fysisch object.
Kortom, beiden zijn relationeel terwijl er geen relatie verondersteld wordt. De geboorte van de psychologie als zelfstandig onderzoeksgebied ontstaat doordat Descartes het mentale, ofwel bewustzijn, als apart onderzoeksgebied noemt. Er ontstaan dan twee stromingen.


Rationalistische - en Empiristische psychologie

Sinds de wetenschappelijke revolutie hebben filosofen de vraag naar de rechtvaardiging van kennis getracht te beantwoorden door zich te beroepen op de geldigheid van een kennisbron. Een geaccepteerde juiste bron betekent dat men dan nog slechts het correcte gebruik ervan dient aan te tonen.

Er worden in de regel twee bronnen van (wetenschappelijke) kennis onderscheiden:
1)    de ervaring   - de zintuiglijke waarneming van de empirie  > empirisme
2)    het verstand - de principes van de ratio                             > rationalisme

De verschillen tussen de empirische- en de rationalistische benadering waren ook van invloed op het psychisch mechanisme dat beiden veronderstelden; hoe wordt kennis psychologisch door de menselijke geest 'geproduceerd’?


Het Empirisme 

  • veronderstelt dat de geest langzamerhand wordt gevuld met zintuiglijke informatie 
  • deze accumulatie geeft kennis over de omgeving 
  • deze ervaringen zijn de bouwstenen voor algemene inzichten die via associaties van de bouwstenen tot stand komen. 

Het centrale probleem is hier dat de empiristen nooit bevredigend hebben kunnen beantwoorden hoe zintuiglijke ervaringen omgezet worden in begrippen [warmte en licht wordt (hoe?) vuur].


Het Rationalisme

  • veronderstelt dat de geest van nature al bepaalde vermogens, zoals redeneren en voorstellen, bezit. 

Het probleem van de rationalisten is dat onduidelijk blijft wat het verband is tussen zintuiglijke ervaringen en deze aangeboren vermogens. Immers, ze kunnen het bestaan van deze vermogens alleen vaststellen aan de hand van dezelfde feiten die de aanleiding waren om hun bestaan te veronderstellen (deze even onthouden voor bij de gestaltpsychologie!).


Reflectie experiment voor de lezer  

We hebben gezien dat de oude psychologische stromingen van het empirisme en het rationalisme problemen hadden met het verklaren van de ‘productie’ van kennis – 
hoe zie jij dat:  Wat is kennis en hoe denk jij dat je "kennis" produceert – vanuit waarneming, ratio, beiden of anderszins —  en probeer dat eens te beargumenteren voor jezelf.


Gestaltpsychologie

Definitie:
Een wetenschappelijke richting in de psychologie die stelt dat dingen primair in hun geheel worden waargenomen (gestalten) en niet als de som van door associatie verbonden elementen.

De legende wil dat de gestaltpsychologie(school) geboren werd 2 jaar nadat de interesse van de psycholoog Max Wertheimer tijdens een treinreis in 1910 gewekt werd door het optische ‘gedrag’ van de telegraafpalen en kabels langs het spoor. Dit effect werd geenszins afdoende verklaard door de toen dominante school van Associanisten (zie boven).  

In de daaropvolgende 2 jaar deed Wertheimer onderzoek en kwam met een hypothese over datgene waarmee het organisme individuele, opeenvolgende indrukken in een verenigde waarneming van constante beweging wist te vertalen (de Phi-factor).

Hoewel Wertheimer hier vaststelde wat er gebeurde, was er nog geen antwoord op hoe dat dan gebeurde. Rond de notie dat er – anders dan bij de associationisten – een meer complexe rol in dit proces was van het subject (organisme) ontstond er een nieuwe psychologische school. 


De School van Berlijn

Wertheimer, Köhler, en Koffka maakten hier deel van uit en zij deden in hoofdzaak onderzoek naar de waarneming – met als doel te bewijzen dat vormgeving meer is dan de som van haar bestanddelen. Hun conclusies toonden aan dat waarneming gestructureerd wordt op basis van bepaalde wetmatigheden – deze zijn samengevat in de zogenaamde ‘gestalt-wetten’.

Ze verklaren waarom de subjectiviteit van een mens in samenspel met eenvoudige omgevingsimpulsen de waarneming bepaalt. De gestaltwetten organiseren volgens de gestalttheorie de waarneming, en maken de scheiding tussen ‘figuur’ en ‘achtergrond’ in de omgeving mogelijk. De gestalt- en groeperingswetten zijn ook van toepassing op andere dan de visuele gebieden van de zintuiglijke waarneming.


Voorbeeld

In de muziekwaarneming wordt een instrument of de stem van de zanger dikwijls waargenomen als figuur terwijl op de achtergrond de muziek doorspeelt. Welke vorm telkens figuur of achtergrond wordt, wordt door onafhankelijke organisatieprin-cipes van de mens (subjectiviteit) geregeld. Zo bepalen bijv. bepaalde voorkeuren, actuele levensthematieken, maar ook een aantal remmingen, zoals blindheid en gehoorstoornissen, de aard van de menselijke waarneming. 


Pregnantieconcept

Het pregnantieconcept staat centraal in het gestalttheoretisch onderzoek. Deze wet zegt dat dat we geneigd zijn om onze ervaring te ordenen op een wijze die regelmatig, symmetrisch en eenvoudig is. En betekenisvol! Er wordt van uitgegaan dat het resultaat van een waarneming stabiel is en dus ook blijvend in de mate dat de impulsvoorwaarden van de omgeving dit toelaten. Voorbeelden van groeperingswetten van de waarneming zijn:
 

De wet van de gelijksoortigheid en de laagste heterogeniteit 

     

Wanneer een aantal dingen tegelijk worden waargenomen, dan bestaat de neiging om dezelfde of gelijkaardige dingen in zo homogeen mogelijke groepen samen te brengen.


 

Wet van de nabijheid 


De neiging om dingen die dicht(er) bij elkaar staan als een groep te zien, en niet meer als afzonderlijke dingen.

       


Wet van het gemeenschappelijk lot 


De indeling in groepen blijft bij de verandering zoveel mogelijk behouden, zodat de groepen vormvast zijn, ook al bewegen de afzonderlijke onderdelen van de groep zich. 

 


Wet van de continuïteit

De wet van de continuïteit stelt dat elementen van objecten de neiging hebben te worden gegroepeerd, en daarom geïntegreerd in perceptuelegehelen als ze worden uitgelijnd binnen een object. Wanneer er een snijpunt is tussen objecten, hebben mensen de neiging om de twee objecten waar te nemen als twee enkele ononderbroken entiteiten.


Wet van de afsluiting 


Wanneer een patroon zowel een open als een afgesloten verloop kan hebben, dan krijgt het afgesloten verloop de voorkeur. We neigen om onderbrekingen te negeren en de figuur af te maken, om bekende beelden en vormen te creëren.

 


Gehelen

Wertheimer argumenteerde dat het niet zo is dat het ontvangende organisme (wij dus) de elementaire stimuli inneemt, maar hele configuraties (gestalt). Wanneer het geheel (figuur) onderbroken of incompleet is, dan heeft het subject de neiging om toch het geheel te zien, of actie te ondernemen om de missende delen te aan te vullen, of hij of zij zal meetbare spanning en frustratie ervaren.

Het fundamentele probleem wat de vroege gestalttheoretici aanpakten was dus juist die vraag van het organiserende principe: hoe geven we betekenis aan het experientële veld zodat wat we zien en weten een coherent geheel vormt, en niet een (over)vloed van stimuli?

Hun antwoord was dat de fundamentele, relevante eenheid van perceptie een significant, betekenisvol geheel is. Organisatie, een georganiseerde figuur, is de elementaire bouwsteen van perceptie, en van het subjects antwoord op de perceptuele stimulus.Onduidelijk is nog op dit punt of het deze georganiseerde gehelen nu in de natuur aanwezig zijn of in het waarnemende organisme.

Het onderzoek van Wertheimer en kompanen leidde uiteindelijk niet tot het niveau van de 'harde' wetenschappen. Dit heeft mede te maken met de tautologische aard - een cirkelredenering waarin niets wordt bewezen - van vele van de geformuleerde wetten. We nemen als voorbeeld de wet van Pregnantie.


Wet van Pregnantie

Het pregnantieconcept staat centraal in het gestalttheoretisch onderzoek. Er wordt van uit gegaan dat het resultaat van een waarneming stabiel is en dus ook blijvend in de mate dat de impulsvoorwaarden van de omgeving dit toelaten. Daar nog aan toegevoegd dat deze configuraties "zo goed zijn als de omstandigheden toelaten" (goede gestalt) ontstond het idee dat het meetbaar is. Helaas bleek dat een illusie. 

De afhankelijke variabele (‘goede gestalt’) die volgens de wet variabel is in relatie tot de onafhankelijke variabele (heersende omstandigheden) kon alleen gedefinieerd worden in de termen van die omstandigheden, en vice versa. Achteraf ligt voor de hand dat het ontbrekende element in de ‘heersende omstandigheden’ juist de interesse, behoefte of motivatie van het subject was.


Kurt Lewin – ontwikkeling van de veldtheorie

Lewin's contributie was om het gestaltmodel uit het laboratorium te brengen naar het veel complexere dagelijks leven. Juist de beperking van laboratoriumonderzoek met dieren was grotendeels verantwoordelijk voor het ontbrekende element van de organisatie van het veld door het organisme zelf. Het verschil ligt in het binnengaan van, of bewegen door, een gegeven al bestaand veld – dan moeten we perceptuele en andere oordelen gebruiken om ons te verstaan met dat veld, tegelijkertijd trachtend bepaalde gewenste doelen te bereiken en het vermijden van slechte uitkomsten.


De behoefte organiseert het veld

Deze stelling van Lewin zegt dat alles in het veld door het organisme wordt gezien als belangrijk of niet, vanuit zijn of haar eigen behoeften, afhankelijk van de waargenomen status als een potentiële hulp of obstakel in de bevrediging van die behoeften. Lewin kwam tot deze stelling gebaseerd op zijn ervaringen en waarnemingen in WO1 – hij argumenteert dat een soldaat zal zien wat hij op dat moment nodig heeft (om te zien).

Het komt er uiteindelijk op neer dat perceptie in het geheel geen ontvangen is, maar een actief proces – waarbij wij zelf de betekenisgevende factor zijn. Van daaruit – en daarin zit ook het fenomenologische (3) aspect van de gestaltvisie – kunnen we stellen dat er geen absolute objectieve waarheid bestaat, maar alleen een grote verscheidenheid van subjectieve percepties. Het doel van gestalttherapie kunnen we dan ook omschrijven als het ontdekken van de vele aspecten van de perceptuele mogelijkheden om van daaruit te komen tot een meer adequate perceptie van de totale relationele situatie.

De paradox in het formuleren van wetten en principes – van waarneming of zoals hieronder van veldtheorie, is dat zij op zichzelf weer onze waarneming beïnvloeden!


Belangrijkste principes van de Gestalt veldtheorie (4)  

1.     Mensen kunnen niet in isolatie begrepen worden maar alleen als integraal en interactief deel van hun sociaal-culturele achtergrond en fysieke omgeving

2.     Het veld bestaat uit al de interactieve fenomenen van individuen en hun omgeving en alle aspecten van dat veld zijn potentieel invloedrijk en onderling verbonden

3.    Menselijk gedrag kan niet toegeschreven worden aan een enkele oorzaak maar komt voort uit de in elkaar grijpende krachten van het veld – of als een functie van de organisatie of constellatie van het veld als geheel

4.    Het veld en de daarin opererende krachten zijn voortdurend in beweging. Individuen veranderen voortdurend hun perceptie van het veld als ze het anders organiseren en begrijpen, van moment tot moment.

5.    Mensen organiseren en reorganiseren actief hun perceptie van hun omstandigheden (of veld) door constant bepaalde aspecten van het veld tot figuur te maken waardoor andere grond worden en vice versa - de behoefte of interesse organiseert het veld.

6.    Mensen geven zo aldoende de gebeurtenissen die ze ervaren individuele betekenis.

7.    Op deze wijze dragen ze bij aan de creatie van hun eigen omstandigheden of doorleef-de ervaringen (ze co-creëren het veld en hebben existentiële  verantwoordelijkheid voor hun eigen leven of ten minste voor de betekenis die zij aan hun leven geven.

8.    Menselijk gedrag en ervaring vinden plaats in het heden en iemands gedrag kan alleen verklaard worden in termen van het huidige veld.

9.    Als alle aspecten van het veld onderling verbonden zijn dan zal verandering in elk deel van het veld waarschijnlijk het hele veld beïnvloeden.


Conclusie

Als we de principes van de gestalt veldtheorie zien als een geheel, in plaats van ieder principe als afzonderlijk, dan ontstaat er een perceptie van de werkelijkheid die vooral praktisch is. Dit pragmatisme doet recht aan de fenomenologie waaraan de gestaltpsychologie schatplichtig is, en aan de conclusie dat vanuit deze principes geen sprake kan zijn van een absolute waarheid.

Beantwoord dit enigszins de vraag hoe kennis ontstaat? Ja, enigszins omdat de ontwikkeling en kwaliteitsverbetering van ons wereldbeeld evident is. Wat nog veel meer aandacht behoeft volgens mij is inzicht in hoe deze individuele percepties worden tot een groeps-, cultuur of nationale perceptie. Ze komen er mede uit voort – socialisatie, groepsdruk, overleving – maar verklaard dat ook hoe ze vanuit de individuele perceptie weer invloed hebben op de grotere perceptie.

Vraag blijft in hoeverre we überhaupt zicht kunnen krijgen op individuele- en groepsperceptie. Het lijkt mij evident dat dat tegelijkertijd een grote spong voorwaarts mogelijk zou maken, maar natuurlijk ook de keerzijde – nog meer beïnvloedingsmogelijkheden door anderen.

 


[1] Moella Nasroedin, De Sleutel in het Donker. Samenstelling Wim van der Zwan, Altamira-Brecht 2000

[2] Wetenschapsfilosofie is een discipline van de filosofie die zich bezighoudt met het kritisch onderzoek naar de vooronderstellingen, de methoden en de resultaten van de wetenschappen. Daarbij rekent ze behalve de natuurwetenschappen bijvoorbeeld ook de sociale wetenschappen, de psychologie en de economie tot haar studiegebied (wikipedia). Mijn favoriete onderdeel van de filosofie!

[3] Fenomenologie komt van het Griekse phainomai, en betekent verschijnen. Edmund Husserl, de grondlegger van de filosofische fenomenologie, zoekt het ‘fundament voor een gefundeerde filosofie in de fenomenen, in de werkelijkheid zoals deze verschijnt, zich voordoet aan het bewust-zijn.’ Dat het Husserl ernst is blijkt wel uit het feit dat ‘filosofie voor hem geen ideologie, geen geloof en geen wereldbeschouwing is maar een wetenschap die wil komen tot algemeen geldende uitspraken over de werkelijkheid, die gelden voor alle mensen, overal en te allen tijde.’

[4] uit: Developing Gestalt Counseling, Jennifer Mackewn

Categorie: